Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!

Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Menu
Zoeken op deze site

site search by freefind advanced

Verhalen en/of foto's over de Utrechtse Heuvelrug zijn welkom.... op dit mailadres

De foto’s op deze pagina zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets op deze pagina's mag worden gebruikt of gepubliceerd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur.
Copyright ©Gerrit Verwoert/utrechtseheuvelrug.punt.nl. All Rights Reserved.

Links
Weer


tellers
eXTReMe Tracker
Disclaimer
Cookies
Deze website maakt gebruik van Google AdSense om inkomsten te genereren uit advertenties van derden. Om gerichte advertenties te kunnen vertonen op de website, gebruikt Google AdSense cookies die al eerder via andere websites op jouw harde schijf zijn geplaatst.
Hoe Google gebruikmaakt van cookies in advertenties

Vanmiddag ook nog een rondje met de hond gemaakt, in de bovenpolder is een hond niet toegestaan, dus maar twee keer op pad.

Lees meer...

Basterdwederik (Epilobium) is een groot geslacht uit de teunisbloemfamilie (Onagraceae) met ongeveer 200 soorten wereldwijd. Er zijn echter meningsverschillen over de juiste afbakening van dit geslacht. Zo wordt de soort wilgenroosje in de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden wel tot dit geslacht gerekend als Epilobium angustifolium en in de Heukels' Flora van Nederland tot een ander geslacht als Chamerion angustifolium. In de Benelux telt dit geslacht negen tot elf soorten.

Het geslacht bestaat voor een groot deel uit vele kleinbloemige soorten met kroonbladen van maximaal 1 cm. Deze soorten die in het Nederlands de naam 'basterdwederik' dragen lijken heel veel op elkaar en zijn alleen te onderscheiden door nauwkeurig de kenmerken te onderzoeken. De bloemen van dit geslacht zijn roze tot soms bijna wit. De bloemkroon telt bij bijna alle vier kroonbladen, behalve bij het harig wilgenroosje. De kroonbladen zijn aan de top ingesneden. Ze doen daardoor aan een hart denken. De stempel kan de vorm van een knots of van een kruis hebben, wat een onderscheidingskenmerk is bij de kleinbloemige soorten. De stengels zijn behaard en sommige soorten beschikken over klierharen. De stengel kan kantig door verheven lijnen of rolrond zijn. De bladeren zijn vaak eirond-lancetvormig, maar sommige soorten hebben wat bredere bladeren zoals de bleke basterdwederik en de bergbasterdwederik en andere weer wat smaller, zoals bij de moerasbasterdwederik. Veel basterdwederiken hebben wortelstokken, die vaak in de zomer en najaar knoppen vormen om te overwinteren. Het zaad bevindt zich in langwerpige doosvruchten, die bij het opengaan in vieren splijt. Het zaad dat is uitgerust met vruchtpluis kan ontsnappen en meegevoerd worden door de wind. Bij sommige soorten is het zeer talrijk. In de twintigste druk van de Heukels' Flora van Nederland van 1983 zijn al de soorten die in het Nederlands de naam basterdwederik droegen omgedoopt tot wilgeroosje. De naam basterdwederik was toch wat al te weerbarstig voor roze bloempjes met hartvormige kroonblaadjes, zo werd gezegd. De naam basterdwederik heeft echter wel degelijk betekenis. Basterd wil zeggen 'niet de echte wederik', die in de volksgeneeskunst werd toegepast. Wederik heeft weer bladeren, die wat aan die van de wilg doen denken. In de 21e druk was de naamswijziging weer ongedaan gemaakt en sindsdien heten de kleinbloemige soorten weer basterdwederik. Epilobium is van oorsprong een Oudgriekse naam: epi-lob-ion, op een hauwtje een viool wil dat zeggen. bron: wikipedia

Reacties

Vanmiddag een klein rondje gelopen, foto's maken was vrijwel onmogelijk, want er stond weer eens een straffe wind.

Lees meer...

Even een rondje gelopen, met de hond. Best veel klein spul gezien, maar het waaide te hard voor macro's. Dus veel mislukt vandaag, wel een paar 'lucky shots'

Lees meer...

Overblijvende ossentong (Pentaglottis sempervirens)is een forse, ruw behaarde, rijk bebladerde, overblijvende plant, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidwest-Europa. Ze is in Nederland een stinsenplant, die ook verwilderd voorkomt langs bosranden en langs straten en heggen in stadsgebieden.

Ze is zeldzaam in de stedelijke gebieden en in de duingebieden, elders zeer zeldzaam. Overblijvende ossentong bloeit vanaf april tot in de herfst. De bloemen zijn blauw met witte keelschubben. In de knop zijn ze roze. De onderste bladeren zijn eirond, gesteeld en meestal verspreid wit gevlekt. Naar boven toe worden de bladeren kleiner en langwerpiger en de steel korter. De bovenste zijn ongesteeld. Alle bladeren zijn ruw behaard. bron: wilde bloemen

Reacties

In de lente herken je in graslanden en bermen de opvallende hemelsblauwe in verhouding grote bloemen van de Gewone ereprijs (Verónica chamáedrys). De bloemen staan in trossen boven in de rechtopstaande tot opstijgende planten. De behaarde bladeren staan tegenover elkaar en hebben geen tot maar een heel korte minder dan 6 mm lange steel. Ze zijn behaard net als de stengels, die meestal twee rijen haren hebben. bron:

Reacties

Wilde of boshyacint (Scilla non-scripta) is in Engeland ook wel bekend is onder de naam Bluebell. Deze fraaie plant komt in ons land aan de binnenduinrand voor, hoewel het niet helemaal duidelijk is of dit oorspronkelijke populaties zijn. Wel komt ze in de buurt van Brussel massaal en op enkele plekken in de omgeving van Jülich in het wild voor. Deze soort is, vaak als kruising met de Spaanse hyacint, ook een geliefde tuinplant.

Lees meer...   (3 reacties)

Vanmiddag onderlangs gelopen, halverwege begon het uiteraard te regenen, klap onweer erbij, paraplu kapot gewaaid........een uitermate bevredigende operatie dus.



De boshyacinten komen langzaam op stoom.


Reacties

De bonte gele dovenetel, Lamiastrum galeobdolon subsp. argentatum, breidt zich ook boven de grote rivieren sterk uit. De gele bloemen lijken op die van de gele dovenetel, maar de plant onderscheidt zich hiervan door de zilver gevlekte bladeren. Bonte gele dovenetel is een vorm of ondersoort van Gele dovenetel. Soms onderscheidt men nog twee ondersoorten: Grote gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon subsp. montanum) en Kleine gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon subsp. galeobdolon).

De Nederlandse naam dovenetel heeft te maken met de bladen, die lijken op die van de brandnetel, maar zijn niet bezet met brandharen. Lamiastrum is afgeleid van het Griekse woord lamos (muil of keelgat), i.v.m. de muilvormige bloemkroon. Galeobdolon is afgeleid van het Latijnse galea (helm) en het Griekse bdolos (stank). Argentatum betekent zilveren of zilverkleurig.

Reacties

Er zijn weinig planten waarvan het blad twee kleuren heeft. Longkruid heeft witte vlekken op het blad, die een extra dimensie aan de plant geven.

Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl