Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Menu
Zoeken op deze site

De foto’s op deze pagina zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets op deze pagina's mag worden gebruikt of gepubliceerd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur.
Copyright ©Gerrit Verwoert/utrechtseheuvelrug.punt.nl. All Rights Reserved.

Links
Weer




tellers
eXTReMe Tracker
Disclaimer
Cookies
Deze website maakt gebruik van Google AdSense om inkomsten te genereren uit advertenties van derden. Om gerichte advertenties te kunnen vertonen op de website, gebruikt Google AdSense cookies die al eerder via andere websites op jouw harde schijf zijn geplaatst.
Hoe Google gebruikmaakt van cookies in advertenties
Patriciërs en de adel ontdekken Maarsbergen
In 1656 komt de voormalige proosdij in particuliere handen. De zeer rijke koopman Samuel de Marez kocht Maarsbergen van de Staten van Holland. Het landgoed was een belegging en diende tevens als buitenverblijf. Bovendien moest het landgoed hem de status geven die bij zijn rijkdom paste. De Marez verbouwde het proosdijhuis tot een schitterend landhuis en liet een groots park aanleggen in Hollands-classicistische stijl, met een lengte van ruim 2 kilometer en een breedte van 450 meter. Deze historische hoofdstructuur is nog altijd in grote lijnen en deels in detail aanwezig en te zien in het landschap.

De eenvoudige boeren uit die tijd zullen ongetwijfeld met verbazing hebben gekeken naar deze aanleg, die in schril contrast stond met de moeilijke omstandigheden waarin zij in die tijd moesten leven. Want omstreeks 1660 daalden de graanprijzen en kort daarop ook de prijzen van andere producten. Deze prijsdaling duurde tot ongeveer 1750. Aan de kostenkant vormden pachtprijzen en de Ionen van het personeel (knechten en meiden) een groot probleem omdat deze hoog bleven. Hierdoor stonden de inkomens van de boeren onder grote druk. Bovendien eiste de veepest verschillende malen haar tol in de 18e eeuw. Deze "agrarische depressie" strekte zich uit over heel Europa.

Ook in Maarsbergen was de situatie moeilijk. De zandgronden leverden niet veel op (kunstmest was er nog niet) en toch moest vrijwel iedereen daarvan leven, want de gehele bevolking (ongeveer 100 mensen) leefde in die tijd direct van de landbouw. De boeren in deze streken probeerden zich aan te passen aan de ontstane situatie, maar eenvoudig was dat niet. Een aanpassing was bijvoorbeeld de tabaksteelt. Het centrum van de arbeidsintensieve tabaksteelt lag rondom Amersfoort en Amerongen, maar ook in Maarsbergen is in de 18e eeuw op bescheiden schaal tabak geteeld. Er zijn echter geen tabaksschuren uit die tijd bewaard gebleven.
De boerenbedrijven waren in die tijd echte gezinsbedrijven. Vaak was er ook inwonend personeel (knecht en/of meid). De productie van de boerderij was in de eerste plaats gericht op zelfvoorziening en slechts voor een klein deel op de markt gericht (om de pacht en het loon te kunnen betalen). De nadruk lag op de verbouw van graan. Het vee - de schapen en runderen - werden voornamelijk om de mest en minder om het vlees, de melk en de wol gehouden. Boer zijn was een zeer risicovol beroep: de oogst kon mislukken, het vee kon ziek worden. Er zijn legio voorbeelden bekend van pachters die de huur/pacht niet meer konden opbrengen en deze dienden, na verkoop van de hele boedel, vaak van de boerderij te vertrekken. Soms mochten ze nog wel verder boeren op de boerderij, maar dan was de gehele inventaris vervallen aan de kasteelheer. Soms stonden de boerderijen één of enkele jaren leeg omdat er geen pachter te vinden was die het risico durfde te nemen.


Halverwege de 18e eeuw kwam er een einde aan de recessie die rond 1660 begon. De landbouwprijzen trokken weer aan, hetgeen tot uiting kwam in de stichting van nieuwe boerderijen (o.a. de Kleine Valkeneng en het Blauwe Huis) en keuterijen (o.a. de Kleine Vossenplaats en Koudhoorn) op het Landgoed Maarsbergen. Het Landgoed Maarsbergen valt in de loop van de 18e eeuw uiteen door vererving en verkoop.

Aan het begin van de negentiende eeuw worden kasteel Maarsbergen en een belangrijk deel van het vroegere landgoed (in delen) aangekocht door mr. J.A du Bois (1777-1848), advocaat bij het Hof van Holland. In de loop van de negentiende eeuw traden er weer duidelijke verbeteringen op in de economische situatie van de landbouw. De belangrijkste reden was de opleving van de export. De vraag naar luxere voedingsmiddelen als vlees, boter, kaas en nijverheidsgewassen (vlas) nam sterk toe. Ook de belangstelling voor de ontginning van woeste gronden nam toe, door de opkomst van de industrialisatie. De boerderijen van het Landgoed Maarsbergen blijven onder de familie Du Bois (1804-1882) dan ook vrijwel allemaal in bedrijf.

Naast de landbouw kreeg de bosbouw een plaats op het Landgoed Maarsbergen. Er was een toegenomen vraag naar eikenschors ten behoeve van de leerlooierijen. Met name in het centrale deel van het landgoed, rondom het kasteel, werd daarom veel heidegrond omgezet in eikenhakhout. Na het midden van de 1ge eeuw werd bovendien steeds meer naaldbos aangeplant, voornamelijk bestaande uit grove den. Onder de familie Du Bois werd een deel van de oude bouwlanden, vooral de droogste terreinen in het gebied bij de Maarnse Grindweg, bebost met grove dennen. Het grenen hout was met name geschikt voor de productie van stutpalen voor de mijnen (mijnhout).

In 1882 krijgt Landgoed Maarsbergen een nieuwe eigenaar, jhr. mr. K. A. Godin de Beaufort (1850-1921). Deze heeft een groot stempel gedrukt op de huidige verschijningsvorm van het landgoed. Twee zaken speelden een belangrijke rol: het opheffen van de Maarsbergse mark en de landbouwcrisis aan het einde van de negentiende eeuw.
In 1886 werd de gemeenschappelijke heidegrond verdeeld. Omdat Landgoed Maarsbergen een groot aantal deelgerechtigde hoeven bezat, verkreeg Godin de Beaufort het grootste deel van de woeste gronden. De heide was niet langer noodzakelijk als grondstof voor de bemesting door de komst van de kunstmest, dus de

natte heidegrond werd ontgonnen tot landbouwgrond voor bestaande en nieuwe boerderijen en de droge heidegrond werd door Godin de Beaufort gebruikt voor bosbouw (ingeplant met grove den). Tegen het einde van de 19e eeuw raakte de landbouw opnieuw in een crisis, die met name de akkerbouw trof. Deze keer lag de oorzaak in het Amerikaanse graan dat Europa overspoelde.
De gevolgen waren voor veel boerenbedrijven echter minder ernstig dan in voorgaande crises. In de periode voorafgaand aan deze crisis was er namelijk al een begin gemaakt met de omschakeling naar voornamelijk veeteelt. Met name de varkenshouderij maakte aan het einde van de negentiende eeuwen aan het begin van de twintigste eeuw een stormachtige ontwikkeling door. Er werden in die tijd ook veel varkensstallen gebouwd. Enkele exemplaren van het einde van de negentiende eeuw zijn bewaard gebleven zoals bij de Cruijvoort en de Kleine Valkeneng en uit begin 20e eeuw bij het Blauwe Huis, Valkenheide en het Hof ter Heide. Weer wat later verschenen op vrijwel alle bedrijven in Maarsbergen de karakteristieke houten kippenhokken (vanaf 1920, in gebruik tot ongeveer 1960). Enkele exemplaren, zoals bij de Brink en bij de Kleine Valkeneng zijn nog bewaard gebleven.

Om de landbouwcrisis het hoofd te bieden, werd een groot aantal oude boerderijen aan het einde van de negentiende eeuwen begin twintigste eeuw herbouwd, gemoderniseerd of vergroot. Voorbeelden hiervan zijn er te over: Nieuw Altena (verplaatsing en nieuwbouw, 1886), de Griftheuvel (nieuwbouw, 1893), de Cruijvoort (modernisering en vergroting, 1889), het Hof ter Heide (nieuwbouw, 1905), het Blauwe Huis (modernisering en vergroting, 1906) en de Brink (herbouw, 1910). Van sommige boerderijen werd het bijbehorende bouwland ingeplant met bomen, zoals de Bovenplaats (gesloopt in de zestiger jaren van de vorige eeuw), Buurteinde (afgebrand in 1959 en vervangen door een woning) en de Grote Valkeneng (gesloopt in 1889). Niet alleen op het landgoed Maarsbergen werd aan het begin van de twintigste eeuw woeste grond ontgonnen voor de landbouw. Ook op Valkenheide had een grootschalige ontginning plaats, o.a. voor de stichting van een opleidingsboerderij.

Aan de noordzijde van de spoorlijn werd door C. S. van Beuningen, die in 1903 eigenaar was geworden van de boerderij" Anderstein", een groot deel van de heide ontgonnen tot bouw- en weiland. Hij stichtte op Anderstein een kaasboerderij, die later uitgroeide tot een belangrijke exporthandel. De boeren in Maarsbergen kwamen de landbouwcrisis vrij snel te boven. Allereerst vergrootten de boeren in antwoord op de stagnatie in de akkerbouw de veehouderij door meer koeien, en varkens en kippen te gaan houden. De geringe bedrijfsoppervlakte van de zandbedrijven was geen bezwaar, aangezien de intensieve veehouderij zich kenmerkte door een geringere grondgebondenheid. Het veevoer werd aangekocht in plaats van op de bedrijven zelf geproduceerd. Ook de melkveehouderij maakte in de zandgebieden een sterke ontwikkeling door. Begin 1900 trekken de prijzen voor landbouwproducten aan, waardoor een extra stimulans optreedt om te investeren in nieuwe bedrijfsgebouwen en de ontginning van landbouwgrond. In de dertiger jaren van de vorige eeuw dient een nieuwe economische crisis zich aan, gevolgd door de Tweede Wereldoorlog. De situatie was in 1945 voor de boerenstand weinig rooskleurig. Veel paarden en rijdend materieel waren gevorderd door de Duitsers en verdwenen, de kippen- en varkensstapel waren door een tekort aan veevoer sterk teruggelopen en door een gebrek aan kunstmest was de productiviteit van het bouw- en grasland verminderd. bron



Reacties

stiefbeen op 18-09-2012 18:14
zo te lezen is boer en boerin zijn ook niet alles.maar je krijgt er wel doorzetters van.
Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl